Inventarisaties van de Molenbeekvallei
Een overzicht van de waarnemingen en inventarisaties van de natuurwaarden in de vallei van de Molenbeek en omgeving.
november 2009 - Onze nieuwe buur: misschien een kerkuil?
BOECHOUT - Deze tot de verbeelding sprekende vogel (Tyto alba) leeft, broedt en jaagt meestal in een omgeving waar ook mensen vertoeven, maar toch krijgen we maar zeer zelden de gelegenheid om hem in actie te zien. Hoog tijd dus om even kennis te maken met onze hopelijk nieuwe, maar mysterieuze buur. We beschrijven eerst even zijn uiterlijk. Met zijn vierendertig centimeter is hij iets groter dan een kraai. Zijn grote kop met hartvormige gezichtssluier en donkere ogen maken hem zeer herkenbaar. De kleur aan de onderzijde varieert van wit tot geelbruin met kleine donkere vlekken en de bovenkant is zandkleurig met lichtgrijze schaduwen.

In tegenstelling tot bijvoorbeeld de steenuil is de kerkuil een typische nachtvogel. Hij is de meest nachtelijke vogel onder de uilen. Hij komt dus pas tevoorschijn wanneer het echt donker is, of met de maan als gezel.
Als roofvogel moet hij gaan jagen en daar is hij dan ook perfect voor uitgerust.
Ten eerste heeft hij het alom gekende, typische hartvormige gezicht. Dat dient als een schotel om het geluid naar zijn grote gehoorgangen te leiden. Zijn ooropeningen zijn voorzien van twee oorklepjes die naar het geluid gericht worden en die de gehoorgang afsluiten bij te veel lawaai. De gehoorgangen bevinden zich links en rechts niet op dezelfde hoogte: de linkse ligt iets hoger dan de rechtse. Op die manier kan de uil de bewegingen van bijvoorbeeld een muis zeer precies volgen en de afstand tot zijn prooi beter inschatten. Horen doet hij dus zeer goed …
Ten tweede zijn ook de grote ogen van de kerkuil aangepast aan zijn nachtelijke escapades. Ze zitten onbewegelijk in de oogkassen, dus moet de uil zijn kop bewegen wanneer hij in een andere richting wil kijken. Hij kan zijn kop in beide richtingen 270 graden draaien. Een deel van zijn gezichtsveld ziet hij binoculair, waardoor hij ook zo weer zeer nauwkeurig de afstand tot zijn prooien kan bepalen. De constructie van de ogen zorgt voor een gezichtsvermogen dat honderd keer beter is dan bij de mens, zodat hij bij weinig licht toch nog goed kan zien.
Die systemen werken perfect, behalve bij regen en harde wind. In dergelijke omstandigheden kan de kerkuil nog nauwelijks iets vangen en hoopt hij in schuurtjes en stallen nog iets te vinden. Dat is echter niet meer zo gemakkelijk als vroeger, doordat we tegenwoordig alles zo goed afsluiten.
Als roofvogel is het altijd prettig om een aanval op een prooi geruisloos te kunnen inzetten. Dat lukt de kerkuil zeer aardig, dankzij zijn beperkte gewicht van drie- à vierhonderd gram en zijn vleugels met een spanwijdte van een meter. Zo kan hij zwevend en aan een lage snelheid de grond afspeuren naar prooien. Zijn dagelijkse kost bestaat vooral uit muizen en spitsmuizen en in mindere mate uit ratten, mollen en kleinere vogels.
Wanneer er uilenpaartjes gevormd zijn, worden er meestal eieren gelegd in april en mei. Als het voedselaanbod groot genoeg is, kan er een tweede en zelfs een derde legsel uit voortkomen, zodat de uilen bijna het jaar rond met hun nakomelingen bezig zijn. Een legsel bestaat meestal uit vier tot zeven eieren, die glansloos wit en ovaal zijn en een lengte van 41 millimeter hebben. Het wijfje neemt het broeden volledig op zich en het mannetje zorgt voor het eten. Na ongeveer dertig dagen komen de eieren uit. De jonge dieren kunnen na ongeveer twee maanden vliegen, maar ze zijn pas na tien weken volledig zelfstandig.
Van oorsprong is de kerkuil een rotsbewoner, maar hij heeft zich wonderwel aangepast aan de nieuwe gebouwen die de mens in het verleden is beginnen op te trekken, zoals kerken, kastelen en schuren. Zo heeft hij zijn leef gebied kunnen uitbreiden. Om te jagen heeft hij kleinschalig boerenlandschap nodig om genoeg prooien te kunnen vinden, wat tegenwoordig niet meer zo evident is. De boeren zien deze uilen soort graag komen als ongediertebestrijder: een kerkuil eet ongeveer zes muizen per nacht, en als hij dat het hele jaar door doet, zijn er dat meer dan tweeduizend! In de omgeving van de kerk van Vremde is het kleinschalige boerenlandschap nog voldoende aanwezig, zodat we goede hoop hebben dat ze zich hier snel thuis zullen voelen.
Laten we ze welkom heten!
Tekst: Marc Broeckx
Foto: Stevie-B
april 2009 - Waarom kiest een steenuil voor de Molenbeekvallei?
BOECHOUT - Om een antwoord te kunnen geven op deze vraag moeten we eerst de steenuil wat meer in detail beschrijven. Zodra we hem wat beter kennen, gaan we kijken wat hij zoal nodig heeft om zich ergens thuis te voelen en er ook te broeden. Zoals in onze Molenbeekvallei.
Met zijn lengte van 21 tot 23 cm, is hij de kleinste uil die we in onze contreien in het wild kunnen tegenkomen. Hiermee is hij niet zoveel groter dan een merel, maar wel veel forser. Zijn gewicht varieert van 150 tot 240 gram. De kleuren zijn bruin en grijswit met talrijke vlekken. Zijn kopje, gedomineerd door scherpe ogen met felgele irissen, kan hij, zowel naar links als naar rechts 180° draaien, en met zijn scherpe snavel kan hij zijn prooien goed vastgrijpen en eventueel verkleinen. Een kleine uitsparing in de ondersnavel helpt hem hierbij. De poten zijn voorzien van een fijne bevedering en de tenen eindigen in scherpe klauwen. Verschillen tussen mannetjes en vrouwtjes zijn buiten het broedseizoen niet te zien. Tijdens het broedseizoen wordt de buik van het vrouwtje kaal zodat ze haar warmte beter kan doorgeven aan eieren en jongen. De levensduur van een steenuiltje is gemiddeld drie jaar.
Van worm tot muis
Onderzoek van braakballen heeft uitgewezen dat de steenuil zich vooral voedt met kleine ongewervelde prooidieren zoals rupsen, oorwormen, kevers, nachtvlinders en regenwormen. Grotere prooien zoals muizen, jonge ratten en kleine vogels worden in mindere mate gevangen maar zijn veel groter zodat die toch het belangrijkste deel van het menu uitmaken.
De eerste helft van april legt de steenuil gemiddeld vier eitjes in een uitgeholde boom of in een speciale steenuilennestkast. De eitjes zijn vrij rond van vorm en egaal wit. Alleen het vrouwtje bebroedt de eitjes terwijl het mannetje het nest verdedigt en voedsel zoekt. Het gevonden voedsel legt hij gewoon in de nestruimte en het vrouwtje neemt wat ze nodig heeft, voor zichzelf en vooral voor de opgroeiende kuikens.
In juni beginnen de jongen meer naar de nestingang te bewegen om van daaruit naar voedsel te bedelen en stilaan de wereld te verkennen. Later in juni vliegen ze uit maar blijven nog bij de ouders. Die voederen nog bij tot de jongen in september zelf op zoek gaan naar een nieuw territorium, meestal niet zo ver van hun geboorteplek. Mannetjes zouden niet verder dan twee kilometer trekken, en de vrouwtjes zijn terug te vinden tot op tien kilometer.

Dalend aantal
In Vlaanderen leven naar schatting tussen vijfduizend en tienduizend broedparen. Het aantal steenuilen daalt. Hier zijn verschillende oorzaken voor. Enerzijds zijn er minder kleinschalige landschappen met kleinere percelen, veel houtkanten en dus veel voedsel.
Anderzijds zorgen bestrijdingsmiddelen voor het reduceren van het aantal prooidieren. En ook het wegverkeer maakt slachtoffers onder de steenuilen.
Wat heeft de Molenbeekvallei te bieden aan de uiltjes? Een kleinschalig landschap met houtkanten en uitkijkposten om prooien te bespieden. Natuurlijke nestgelegenheid die een behoorlijke bescherming biedt tegen andere predatoren zoals de buizerd. Voldoende prooidieren zijn bijna altijd aanwezig. Als het aanbod toch wat minder is kunnen de uilen nog altijd overschakelen op de groene kikker en de bruine kikker.
Niet bepaald hun lievelingskostje, maar wel een noodoplossing. Ten slotte is er in de Molenbeekvallei altijd een minimale afstand tussen het moordende verkeer en hun territorium. Wat kan een steenuil zich meer wensen?
Als er bij jou een steenuilennestkast hangt en je hebt nog geen ‘gewenst’ bezoek gekregen, dan moet je volgende vragen even beantwoorden.
- Hebben de uiltjes een voldoende groot territorium (minimaal vijfhonderd maal vijfhonderd meter)?
- Is er voldoende voedselaanbod?
- Zijn er uitkijkpunten om prooien te observeren?
Indien je meer wil weten over deze mooie vogels, lees dan eens Steenuilen, een uitgave van ROODbont en te koop in de Natuurpunt.winkel.
Tekst: Marc Broeckx
Foto: Frank Adriaensen
Augustus 2005 : Spectaculaire Tijgerspin in de Molenbeekvallei !
Op ons hooiland in de Molenbeekvallei troffen wij in
augustus het spectaculaire vrouwtje van de Tijgerspin aan.
Meer...
Maart 2005 - Natuur in de Boshoek
Tijdens de inventarisatie van enkele beken in bossen
op de Grens met Lint en Boechout, troffen wij enige jaren geleden reeds de
Bosgeelster (Gagea lutea) aan. Meer...
Populatie Bosgeelster ontdekt te Boechout (Antwerpen).
Bosgeelster (Gagea lutea) blijft een zeldzame verschijning in Vlaanderen, ook in de literatuur.
Meer ...
5 november 2002 - Molenbeekvallei onderzocht op Bryofyten en Lichenen.
Op 5 november werd een detailopname gemaakt van de afgegraven percelen langs de beek. Het Floristisch Onderzoek voor Natuurbehoud Afdeling Mossen en Korstmossen is een samenwerking met Natuur.studie.
Meer ...
Mei 2003 - Biologen van de Universiteit Antwerpen organiseren een "terrestrische stage" in de Molenbeekvallei.
De driedaagse terrestrische stage van 2de lic. Biologie van de UA wordt georganiseerd op de terreinen van Natuurpunt Land van Reyen in Boechout-Vremde.
Meer ...
|