|
|
<--menu top>--> |
|
Olmenziekte
Naar aanleiding van de massale sterfte van olmen op Klein-Zwitserland;zocht ik naar een antwoord voor dit fenomeen.
Olmen behoren tot de natuurlijke orde van de Ulmaceae en tot het genus Ulmus,
Welke een 16 tal soorten telt, en wijd verspreid is over de noordelijke temperatuurzone.
Hij groeit in bossen en haagkanten op vrijwel elke bodem, zelfs in rokerige atmosferen van een stad. Op rijke leemgronden in open en laagliggende gebieden,
bereikt hij een hoogte van 20 à 35 meter; tot zelfs 50 meter.
In de eerste 10 jaar groeit hij tot 10 meter hoogte. De takken zijn talrijk en gespreid, de bladeren afwisselend ovaal dubbel getand en ongelijk aan de basis.
De bloemen zijn smal en talrijk en verschijnen in maart en april voor de bladeren in purperbruine bossen. De zaden zijn groen, membraanachtig.
De olmenziekte werd eerst ontdekt in 1919 in Noord-Brabant in Nederland.
Ze verspreidde zich snel door België (1921) en Frankrijk. Vervolgens in Duitsland
(1924-1925) en Spanje. In de USA brak de ziekte uit rond 1930, waarschijnlijk door het transport van houtblokken. In 1930 waren er het Noordoosten, Midden-Atlantic en Midwesten ongeveer 77miljoen olmen. Tegen 1976 waren er ongeveer 43 miljoen olmen verloren als gevolg van de olmenziekte.
De eerste tekenen van de ziekte in bomen tot 30 jaar oud zijn een massa droge twijgen en bladeren in de kruin, terwijl de andere delen van de boom nog groen zijn.
In één week tijd kunnen alle bladeren vallen, of de bladeren aan één zijde van de boom vallen terwijl de bladeren aan de andere zijden behouden blijven.
Er is nog geen remedie tegen de ziekte tot op heden ontdekt.
De meeste onderzoekers besluiten dat de ziekte wordt veroorzaakt door een zwam
(Graphium ulmus).
Al naargelang de bron is het in het ene geval de schimmel, woekerend in functionele houtvaten, die deze houtvaten afsluit, of in het andere geval de boom zelf, die om de schimmel de pas af te snijden, zijn houtvaten afsluit. Het resultaat komt hoe dan ook op hetzelfde neer. De schimmel wordt verspreidt door de iepesnuitkevers(Scolitus
multistriatus,Scolitus scolitus en Scolitus pygmaeus). De kevertjes komen af op stervende of kwijnende bomen. De wijfjes graven gangen onder de schors, waarin ze eitjes leggen. De larven graven ieder voor zich een zijgang waarin ze zich verpoppen.
Op het einde van de winter bijten de nieuwbakken kevertjes zich door de schors een weg naar buiten. Aan hun lichaam kleven allicht een aantal sporen van de schimmel.
De kevers gaan op zoek naar de jonge loten van gezonde iepen om zich daarmee te voeden. De schimmel komt aldus op een gezonde boom terecht en de cyclus is rond.
Het ontrafelen van de ziekte gebeurde door de Nederlandse onderzoekers Beatrice
Scharz en Christine Bulsman; vandaar de Engelse naam voor de ziekte:
Dutch elm disease.
Eens de boom geïnfecteerd is leeft hij nog ongeveer 2 jaar.
De ziekte valt gewoonlijk geen bomen aan die jonger zijn dan 10 jaar.
Er worden ziekteresistente varianten van de olm gekweekt, kruisingen tussen de
Gladde en Siberische iep. Ook is er hoop dat de olm door natuurlijke selectie een eigen afweermechanisme zal ontwikkelen tegen de ziekte.
<-- terug
|
|