|
|
<--menu top>--> |
|
De Gewone Pad (Bufo bufo) op Klein-Zwitserland
De gewone pad is een vrij grote pad met een opvallend wrattige huid die van 5-7 cm groot kan worden(mannetje) en van 6-10 cm voor de vrouwtjes .De rugkleur varieert van beige over licht en grijsbruin tot diep bruinrood met een gespreid donker vlekkenpatroon.
De buik is lichtgrijs tot witachtig met grijze vlekken. De ogen zijn koper - tot goudkleurig met een horizontale pupil. Op de kop bevinden zich grote oorklieren(paratoïden).
De voorpoten zijn vrij sterk ontwikkeld en de achterpoten hebben elk vijf tenen, met daartussen
Weinig ontwikkelde zwemvliezen. Mannetjes zijn in de paringstijd te onderscheiden van vrouwtjes door de paringsborstels op de voorpoten en tenen. Padden kunnen tot 40 jaar oud worden.
Het geluid van een pad lijkt een beetje op dat van een Meerkoet.
De pad komt voor in allerlei kleinschalige landschappen, kan ook leven in enigszins groene stadswijken; voorwaarde is een geschikt voortplantingswater.Als voortplantingsplaats kiest ze voor poelen, grachten, vijvers en kleiputten; een voorkeur voor vrij diepe (0,5 – 1meter) en grote waterplassen met een verticale vegetatie waaraan ze haar eisnoeren kan bevestigen.
Slakken, insecten, wormen, slakken en spinnen staan op het menu.
Padden hebben zich meer aan het landleven aangepast dan kikkers, al hebben ze nog altijd een voorkeur voor vochtige plaatsen. Overdag verblijven ze meestal in een holletje in de grond om tegen de avondschemering op pad te gaan. Bij koud weer zijn de padden koud en sloom; bij warm weer zijn ze vrij levendig.In de winter gaan ze in een winterslaap in een bestaand holletje of zelf gegraven hol. Begin maart verlaat ze haar overwinteringplaats (bij vochtig weer en een temperatuur die hoger is dan 4 °C) om gemeenschappelijk naar de voortplantingsplaats te trekken gedurende de nacht. Het mannetje klimt op de rug van het vrouwtje en laat haar niet meer los. Soms is een afkeerroep te horen wanneer een mannetje door een ander mannetje omklemd wordt. . De eisnoeren zijn soms 3 tot 4 meter lang en kunnen tussen 2000 tot 8000 eitjes bevatten. De eitjes zijn 1,5 tot 2 mm groot en zijn in 3 tot 4 rijen geordend.
Door de giftigheid van de larven kan de pad zich succesvol voortplanten in visrijke wateren.
De larven worden 2 tot 3,5 cm en vormen vaak zwermen die in de maand mei meestal goed zichtbaar zijn in de ondiepe waterlagen. Vanaf juni zijn de pas gemetamorfoseerde padjes vaak massaal aan de oevers van het water te vinden.
<-- terug
|
|