<--menu top>-->
 

zomer 2005 - Overzicht van enkele nieuwe soorten

BERCHEM - Een korte beschrijving van soorten

Kruipganzerik

In een ontkalkt schraal grasland dook dit broertje van Tormentil op. Potentilla anglica is een plant van storingsmilieu's die groen overwintert. Verspreiding gebeurt zowel door water (lucht in zaadhuid), als door mieren (mierenbroodje op vrucht). Wat samenleven met schimmels betreft, vindt men blaasvormige-'arbuscular' mycorrhizen op de wortels.

De gele bloempjes doen denken aan Vijfvingerkruid, maar hebben meestal maar 4 kroonblaadjes.

Wilde kamperfoelie

Tijdens het maaien aan de Wezenberg troffen wij 1 vertakte plant in de zoom naast het bos. Lonicera periclymenum heeft een vlezige, rode vrucht en wordt verspreid door vogels. Er is een andere vindplaats bekend in de omgeving, nl. het Nachtegalenpark daar vlak tegenover. Ze is wel In gebruik als siergewas, dus kan ze ook uit een tuin zijn verwilderd.

Ze is verder een Oud-bos plant uit bossen op matig voedselarme, vochtige tot droge, zure grond.

Biezenknoppen

Juncus conglomeratus stond op de kop van een spoorwegberm en was uitgebloeid. Ze werd gespaard tijdens het maaien. Het is een windstrooier, maar ook dieren (uitwendig) verspreiden de kleverige zaden.

Het zaad blijft langer dan vijf jaar kiemkrachtig, dus we weten niet of ze hier vroeger al over het hoofd is gezien.

Het is een vast element van blauwgrasland, bij ons vooral bekend van het Schoonselhof, waar ze samen voorkomt met Blauwe knoop en Gevlekte orchis.

Armeense braam

Deze bijzonder robuuste braamsoort verschijnt op stikstofrijke ruigten. Waar Rubus armeniacus opduikt neemt hij het voortouw en laat geen andere soorten planten toe. Misschien een nog erger alternatief dan Japanse duizendknoop. Hij heeft een socio-ecologisch plaatsje dat noemt: Derivaatgemeenschap van Armeense braam (DG Rubus armeniacus-[Galio-Urticetea] ). De planten worden plaatselijk 4 meter hoog en zijn bijzonder moeilijk te maaien. De soort is nu pas geïdentificeerd maar komt al minstens 10 jaar voor in het gebied.

Hoog struisgras

Agrostis gigantea wordt soms als ondersoort van Fiorinegras beschouwd. De tot 120 cm hoge plant heeft een meer dan 20 cm lange bloeipluim en is voorts weinig opvallend. Deze plant van storingsmilieu's verschijnt meestal in ruigten op (matig) voedselrijke, kalkrijke, niet humeuze, droge grond. Grassen met lange uitlopers als Hoog struisgras kunnen grote vlekken in de vegetatie veroveren.

Dubbelkelk

Langs het fietspad op de Brilschans stond deze plant geel te bloeien met zijn dubbele kelk die hem zijn naam gegeven heeft. Picris echioides verschijnt in ruigten op (matig) voedselrijke, kalkrijke, niet humeuze, droge grond, vooral verspreid in Duin en Polder. Rodelijst 'vrij zeldzaam' . Bezocht door insecten, maar is ook zelfbestuivend. De verspreiding van het harig pappus gebeurt door de wind. Het zaad is minder dan één jaar kiemkrachtig, we kunnen de soort makkelijk terug kwijt raken.

Dubbelkelk op de fietsberm

Rosse vossenstaart

Na de soort pas in de Hobokense polder te hebben gezien, troffen we hem ook bloeiend aan in een van onze poelen. Alopecurus aequalis lijkt wat op Geknikte vossenstaart, maar heeft geen zichtbare kafnaalden. Rodelijst 'zeldzaam'.

Echte koekoeksbloem

Deze stond prachtig te bloeien toen we met onze gidsen-in-spe het afgegraven werfterrein bezochten. Lychnis flos-cuculi is een anjer die we verwachten in vochtige graslanden. Haar verschijning is dan ook zeer onverwacht en we vermoeden dat de soort enkel zal standhouden op de brede bermen langs het natuurgebied.

Echte koekoeksbloem in jong grasland

Celastrus orbicularis

De zwepenboom die we ooit ontdekten en als een Celtis benoemden, is nu definitief op naam gebracht. Zie meer hierover in het artikel over Lambinom.

Haagbeuk

In het bosperceel op de Brilschans werd tijdens het beheer tegen Gewone esdoorn een ongewoon grote hoeveelheid zaailingen van Haagbeuk aangetroffen. Het is de eerste maal dat de zaden van de aangeplante exemplaren blijken te kiemen. Carpinus betulus is een boom van voedselrijke, meestal kalkrijke bodem. Hij komt voor in bossen op gerijpte, zwak zure tot kalkrijke, relatief droge grond. Talrijke zaailingen, maar ook enkele 2 tot 3-jarige exemplaren betekenen de start van deze kalkminnende soort in ons natuurgebied. Hij was alleen vermeld als gevonden op de spoorbermen aan het Zuid. Net als bij Hazelaar wordt hij door de wind bestoven. De zaden zijn omgeven door vleugelachtige structuren, groot schutblad als bij Linde. De nootjes -65 mg- bevatten een zaad dat minder dan één jaar kiemkrachtig blijft. We vinden soms door muizen afgeknaagde dopjes. De kieming vindt plaats in het voorjaar.

Zaailing van Haagbeuk

 

 

Erik