Vegetatie en vegetatiestructuren in de Wolvenberg.
BERCHEM - Wolvenberg is een lappendeken van verschillende vegetaties en vegetatiestructuren, waarbij zowel zeer scherpe grenzen als vage grenzen aanwezig zijn tussen bos, grasland, moerasjes en droge ruigten. Er werden in dit km-hok (IFBL C4.37.11) 360 soorten hogere planten genoteerd in de voorbije 10 jaar.
Een inventaris van de hogere Vaatplanten (ingedeeld naar "Socio-ecologische groepen" volgens Stieperaere en Fransen) en een mossen- en paddestoelenlijst zijn te vinden in bijlage, benevens een kaart met de vegetatietypes.
Bos
Naast een groot deel spontaan bos is het geheel in bepaalde delen sterk gestoord door de aanplantingen uit de vroegere periode. In de literatuur (Natuurbeheer in Nederland deel 5 ‘Bosgemeenschappen’ S. Van der Werf 1991) vinden we dit bostype terug als het Essen-Iepenbos.
Naaldhout
Enkele solitaire dennen zijn destijds aangeplant op de fortkoepel. Voorts zijn sporadisch zaailingen van taxus aangetroffen.
Loofhout
Algemeen
In dit geval lijkt het beter van een potentieel–natuurlijke vegetatie (PNV) te spreken, gezien de recente antropogene storingen. Hierin zien wij de climax vegetatie als Essen-Iiepenbos, waarin vooral de restanten van de vroegere verboste glacis aanwezig zijn. Enkele grote Zomereiken en de talrijke grote Veldiepen domineren de boomlaag. Ook Rode kornoelje, Sleedoorn, Spork, Kardinaalsmuts en Eenstijlige meidoorn zijn nog present. Hondsroos is rijkelijk aanwezig, vooral op de spoorwegbermen.
De vijver is omringd door zeer grote en minder grote Schiet- en Kraakwilgen, Veldiep en verwilderde exoten als Gewone esdoorn, Noordse esdoorn en Beuk. De kruidlaag is plaatselijk goed ontwikkeld, maar in de op lijn geplante structuren is ze nagenoeg afwezig. In de moslaag treffen we de typische soorten als Klei-snavelmos, Fijn laddermos, Kleischroeftandmos en op de nattere delen en in de plassen Gewoon sikkelmos. De vegetatiebeschrijving richt zich verder voornamelijk op de hogere planten.
In de houtkanten die het terrein omgeven, wordt de ontwikkeling van doornstruwelen door actief beheer gestimuleerd.
Naast restanten van eenzijdige aanplantingen van Robinia en Unalklonen van Populier treffen we ook bestanden Zomereik aan, die zeer dicht opeen staan en nooit werden gedund. Hier vinden we een prevernale kruidlaag met als dominante soort het Speenkruid. Amerikaanse vogelkers komt in enkele percelen ook voor in plantverband, soms in combinatie met Pluimes, Drents krentenboompje en Spaanse aak. Hierin is geen kruidlaag aanwezig.
De waardevolste vegetaties in de kruidlaag zijn Bijeorchis, Brede wespeorchis, Speenkruid, Maarts en Bleeksporig bosviooltje, Gewoon nagelkruid, Klimop, Gevlekte aronskelk, Gele dovenetel en Heggenduizendknoop. Stinzenplanten zijn zeldzaam, op het Breedbladig klokje na. De kalkhoudende bodem weerspiegelt zich in deze soorten.
Beknopte bespreking van de bosgemeenschappen
Planten van bosranden en struwelen
Planten van Kapvlakten.
Hoewel het maairegime Duinriet sterk benadeelt, treffen we dit veelvuldig aan op open plaatsen, tesamen met Echt duizendguldenkruid.
Planten van voedselrijke zomen.
Door de talrijke overgangen tussen de biotopen, veelal gescheiden door kleine bosjes, is deze groep meer verspreid aanwezig. Vooral het exotenbeheer heeft er toe geleid dat Geel nagelkruid, Heggenduizendknoop, Heggendoornzaad, Heggenwikke, Maarts viooltje, Robertskruid en Dolle kervel in heel het terrein zijn terug te vinden.
Planten van kalkhoudende zomen.
Door het grote aandeel kalkhoudend zand treffen we voor het Antwerpse zeldzame soorten als Hokjespeul en Gewone agrimonie aan.
Struweelplanten bouwen de bosmantels op met o.a. Bosrank, die we vanwege haar thermofiele karakter in de omgeving voornamelijk langs de spoorweg terugvinden. Als vanouds zijn verder enkele grote populaties Sleedoorn aanwezig
Planten van bossen
Planten van natte bossen.
Elementen van natte en alluviale bossen vinden we terug langs de vijver, met als meest typische vertegenwoordigers Schietwilg en IJle zegge. Veldiep is hier zeer talrijk aanwezig en zaait zich ondanks de Iepenziekte ook goed uit.
Planten van kalkrijke bossen.
De herkomst van boomsoorten als Spaanse aak, Haagbeuk en Zoete kers is terug te voeren op aanplantingen uit de jaren ‘60. Toch laat de kalkrijke bodem hen toe spontaan te verwilderen en deel te nemen aan de zich voltrekkende bosontwikkeling. Speenkruid is overvloedig aanwezig.
Planten van bossen op droge zure grond zijn hier uiteraard weinig in aantal; we vinden vooral Brede wespeorchis, op de lichtste standplaatsen vergezeld van Bijeorchis, die echter niet aan deze groep gebonden is.
Bosplanten op matig vochtige voedselrijke grond treffen we voornamelijk aan op de fortkoepel, een plek waar na aanleg blijkbaar weinig storingen zijn opgetreden, of waarvoor bij de aanleg midden vorige eeuw bosaarde is gebruikt. Van hieruit koloniseren Klimop, Drienerfmuur, Bleeksporig bosviooltje, Bosklimopereprijs, Bosandoorn, Gele dovenetel, Schaduwgras en in geringere mate Gevlekte aronskelk de omgeving. Gewone es is in de wijde omgeving zeldzaam, maar vindt hier als kalkgebonden soort een geschikt substraat.
Watervegetaties
Soms wordt de vijver meerdere maanden per jaar overdekt door een tapijt (60-100% bedekking) van Veelwortelig kroos. (Lemno-spirodeletum).
Aan onderwaterplanten worden redelijke hoeveelheden Aarvederkruid, Grof hoornblad, Zannichellia, Gekroesd en Klein fonteinkruid aangetroffen. In 1997 werd een uitzonderlijke waterplant teruggevonden, het Doorschijnend sterrekroos. Verder werd een Blaasjeskruid vegetatief aangetroffen, een soort (Groot blaasjeskruid) die tot 1975 algemeen aanwezig was in de vesten rond de stad.
Deze vijver is de enige in de binnenstad van Antwerpen die natuurlijke waterplanten bevat.
In de poelen treffen we eveneens waterplanten aan, waarvan Kranswieren (Chara spec.) een belangrijk aandeel vormen. In het mineraalrijk water werd eveneens Doorschijnend sterrekroos opgemerkt. Enkele beduchte waterexoten worden bestreden, o.a. Egeria densa (vondst van oktober 2001) en Crassula helmsii (vondst van augustus 2001). Deze soorten verdringen in hun expansie alle andere soorten, inclusief het dierenleven in de poelen.
Graslanden en ruigten
Verschillende types komen voor. Ze verschillen onderling naargelang voedselrijkdom en vochtigheid van de bodem. De spoorwegbermen zijn vooral waardevol door hun thermofiel karakter en insectenrijkdom. Alle graslanden worden opengemaaid in mozaïekvorm met overgangen naar ruigten en struwelen. Plaatselijk wordt de vegetatie sterk begraasd door konijnen, met als resultaat dwerggroei. Ook in de ruigten zijn zeldzame soorten teruggevonden. In de storingsgemeenschappen treffen we die soorten aan die overgangen tussen ruigten en vochtige graslanden vormen. Hieronder worden de verschillen groepen kort besproken.
Planten van voedselrijke ruigten.
Hoewel de groep ruim vertegenwoordigd is, zijn niet alle elementen erin algemeen. Veldkruidkers is de wijde omgeving alleen hier aanwezig. De populatie breidt zich uit. De soort blijft echter zeer zeldzaam in Vlaanderen.
Planten van kalkrijke ruigten.
Stalkaars vinden wij voornamelijk op de spoorwegbermen. Vooral Kleine zandkool wordt aan deze kant van Antwerpen nogal eens gezien. Zij is vrij zeldzaam buiten het Maritiem district. Roedewolfsmelk wordt ook teruggevonden op de spoorwegbermen.
Planten van humeuze ruigten vinden we zowel langs het fietspad in de Brilschanspercelen als in de open stukken op het glacis, waar deze planten soms deel uitmaken van de kruidlaag in de houtkanten. Stinkende ballote, Rapunzelklokje en Bermooievaarsbek zijn niet echt zeldzaam hier. In deze groep zit ook de lastige verwilderde Japanse duizendknoop, die met succes wordt bestreden.
Planten van storingsmilieus treffen we voornamelijk aan in de vochtige depressies, rond de poelen en aan de oevers van de vijver. Platte rus, Zeegroene rus, Heelblaadjes en Fioringras bepalen het aspect, aangevuld met Verlandingsvegetaties van Moeraszegge, Gewone waterbies en Riet. Overgangen zijn te zien met Planten van voedselrijke natte ruigten waaronder opslag van Kraakwilg en Katwilg. Planten van vochtige bemeste graslanden zijn rijk aanwezig met opvallende bloeiers als Aardaker, Veldlathyrus, Peen, Knoopkruid, Gewoon duizendblad, Kattedoorn, Gewone pastinaak, Goudhaver en Gewone ereprijs. Hazenzegge komt zeer sporadisch voor.
In overgang met Planten van storingsmilieus treffen we:
Planten van natte bemeste graslanden waarin naast Tweerijige zegge vooral Moerasrolklaver, Grote wederik en Grote ratelaar voor een bloemrijk aandeel zorgen.
Planten van droge neutrale graslanden vinden we langs het pad maar voornamelijk op de spoorwegbermen. Hierin zit de oudste Vlaamse populatie van Handjesgras (mond. med. J.E. De Langhe), die zich door het thermofiel karakter van het terrein enorm heeft kunnen uitbreiden.
Planten van kalkgraslanden
Deze elementen zijn verspreid tussen de Planten van vochtige bemeste graslanden terug te vinden: Hazepootje, Echt bitterkruid, Zeegroene zegge met een reeds vermeld accent van Bijeorchis.
Planten van droge zure graslanden.
Op de ontkalkte hellingen treffen we voornamelijk Sint-Janskruid, Zilverhaver, Klein vogelpootje, Gewoon struisgras, Vroege haver en Schapenzuring, voornamelijk in combinatie met storingen van Konijn.
Planten van Rotsen en muren.
Een groot aantal muurvarens wordt op de oude bakstenen muren aangetroffen, vergezeld van van o.a. Plat beemdgras en Muurleeuwenbek. In de nabije omgeving is voorts Tongvaren, Blaasvaren en Steenbreekvaren aangetroffen.
|