<--menu top>-->
 

Mossenonderzoek op de Brilschans en de Wolvenberg tijdens de winter 2003-2004.

BERCHEM - In navolging van onderzoek aan andere disciplines in het natuurverbindingsgebied Ringbos-Wolvenberg langsheen de Antwerpse Kleine Ring, werd medio november 2003 gestart met een studie naar het voorkomen van blad- en levermossen in het natuurgebied op de Brilschans te Berchem (A.). Directe aanleiding daartoe was de vaststelling van een bijzonder abundante mosbegroeiing op de oude wilgen langsheen het fietspad, wat het vermoeden aanwakkerde dat er zich tussen de overwegend algemene soorten wel eens zeldzaamheden zouden kunnen bevinden.
Hoewel dus van bij de start van het onderzoek de nadruk lag op de epifytische taxa, werd eveneens ruim aandacht besteed aan de terrestrische mossen in de gemaaide graslanden/ruigten en op de oevers van de uitgegraven poel.
Behalve een strikt wetenschappelijk doel, dienen de onderzoeksresultaten concreet als graadmeter voor het beheer; zo zijn bijv. de successie van het grasland en van de poel vervat in de soorten mossen en in de combinaties van soorten die er voorkomen.
De epifytenrijkdom vertelt ons dan weer meer over de geschiktheid van het bosbiotoop voor de ontwikkeling van een ecosysteem en over de waarde van de forofyten (= draagplanten) die erin voorkomen. Last but not least bericht zij ons over milieufactoren zoals de luchtverontreiniging in en om de metropool en langsheen een vitale Vlaamse verkeersader.
In ruimere zin dient het onderzoek als bijdrage aan de Vlaamse biodiversiteitsinventaris. Kanttekening bij dit alles is overigens dat ons niets bekend is van soortgelijk geïntegreerd onderzoek naar de bryoflora van een stedelijk natuurgebied. Laat deze studie dan een begin zijn en een aansporing aan diegenen die - evenals wijzelf - de ambitie voelen om de échte stadsnatuur te beschermen en te behouden.

Het onderzoek zelf...

Om een leidraad te hebben en omdat regulier onderzoek per vierkante kilometer in ons geval te weinig nauwkeurigheid bood, werd uitgegaan van een perceelsgewijze inventaris, gebaseerd op de perceelnummers in het beheerplan.
Onderzoekers van dienst waren Erik Molenaar en Nico Wysmantel. Bij een aantal excursies kregen we gezelschap van Juul Slembrouck en Leo Van Herbruggen. "Eenvoudige" determinaties werden gedaan door Nico Wysmantel en Erik Molenaar. De "moeilijkere" soorten werden bekeken door Juul Slembrouck en Dirk De Beer, beiden verdienstelijk lid van de Vlaamse Werkgroep Bryologie en Lichenologie (VWBL).
Van bij de eerste excursie werd de nadruk gelegd op de mosbegroeiing op de oude wilgen. Dit bleek al gauw de juiste keuze. Een eerste aandachtsoort voor Vlaanderen was helmroestmos Frullania dilatata, een epifyt op bomen met "rijke" schors (en hier op een oude schietwilg). Daarna volgden nog bleek boomvorkje Metzgeria furcata en vliermos Cryphaea heteromalla.
Een eerste terrestrische aandachtsoort was geplooid snavelmos Eurhynchium striatum, en masse in de bosschage aan de tramlus.
Wat hier van belang is, is de term "aandachtsoort"; aandachtsoorten zijn mossen die in het verleden in Vlaanderen ofwél over het hoofd werden gezien ofwél daadwerkelijk veel minder (of niet) voorkwamen in ons landsgedeelte. De laatste jaren zijn deze soorten het onderwerp van verhoogde aandacht vanwege de bryologen.

Een korte opsomming van de reeds gevonden aandachtsoorten...

• geplooid snavelmos - Eurhynchium striatum
• helmroestmos - Frullania dilatata
• bleek boomvorkje - Metzgeria furcata
• vliermos - Cryphaea heteromalla
• broedknophaarmuts - Orthotrichum lyellii
Verdere bijzonderheden zijn de vondst van epifytisch zijdemos Homalothecium sericeum én epifytisch muisjesmos Grimmia pulvinata, beiden in hoofdzaak epilithische soorten (steenbewoners).

De voornaamste conclusies...

We moeten onszelf niets wijsmaken; uiteraard vinden we niet heel veel soorten mossen in dit type biotoop en/of zo vlakbij de grootstad. De overmacht van gevonden mossen bestaat uit "onkruidsoorten" met op kop zeker gewoon klauwtjesmos Hypnum cupressiforme (in al zijn vormen!) en het duo fijn laddermos/gewoon dikkopmos Eurhynchium praelongum/Brachythecium rutabulum. Eerlijkheidshalve dienen we hier wél aan toe te voegen dat deze taxa ook in andere, meer waardevolle gebieden doorgaans de overhand hebben.
Van belang voor het onderzoek zijn een aantal zeer onverwachte vondsten, belangrijk zowel voor de wetenschap als opsteker voor het door de werkgroep WONA gevoerde beheer. Vooral de epifytische aandachtsoorten geven de doorslag en tonen ons nogmaals het belang van opgaand inheems loofbos in contrast met de armoede van een aangeplante exotenakker.

Wolvenberg

Begin januari 2004 werd het mossenonderzoek uitgebreid naar het natuurgebied Wolvenberg aan de zijde van het Station. Ook hier werd in eerste instantie aandacht besteed aan epifytenbegroeiingen en wel op de wilgen en vlieren in de onmiddellijke omgeving van de vijver. Dit leverde echter in vergelijking met de Brilschans bijzonder weinig op. Zo moesten we al vlug vaststellen dat noch helmroestmos, noch bleek boomvorkje, vliermos of broedknophaarmuts aanwezig waren, hoewel het onderzoek zeer grondig gevoerd werd.
Wél werd een keur aan terrestrische soorten aangetroffen op de kale steilrandjes op schelphoudend zand; onder andere groot rimpelmos Atrichum undulatum, pluisjesmos Dicranella heteromalla, gewoon en kleismaragdsteeltje Barbula convoluta en B. unguiculata, kleisnavelmos Eurhynchium hians, kleivedermos Fissidens taxifolius en gewoon peermos Pohlia nutans werden aangestreept.
Zoals op de Brilschans werd muisjesmos epifytisch gevonden. Het steenbewonende zilvermos Bryum argenteum groeide hier terrestrisch, evenals beekpluisdraadmos Leptodictyum riparium (nochtans typisch voor nat rottend hout).
Dé vondst langsheen de vijver was evenwel het gewoon gaffeltandmos Dicranum scoparium, in twee kleine plukken op een oude schietwilg. D. scoparium is bekend van heischrale zandgronden, doch werd ook in andere gebieden al epifytisch gevonden (mond. med. J. Slembrouck). Bovendien bleek bij nazicht door Dirk De Beer dat er twee zeldzame haarmutsen ingezameld waren, nl. slanke haarmuts Orthotrichum tenellum en gekroesde haarmuts Orthotrichum pulchellum, de laatste op een vrijstaande kraakwilg op de hondenweide aan de Brilschans.
In de omgeving van de amfibieënpoeltjes werd overigens tijdens een latere excursie nog een volgende aandachtsoort aangetroffen, namelijk het thujamos Thuidium tamariscinum. Het groeit hier op vrij vochtige, schelphoudende zandbodem tussen pionierende wilg en berk in de onmiddellijke nabijheid van de oevers.
Thujamos is in het Antwerpse de laatste jaren bekend geraakt door vondsten van mooie populaties in oude kleiputten in de Rupelstreek (Boom, Niel en Terhagen).
Op 1 februari werd een bezoek gebracht aan het aangeplante esdoornbos parallel aan de spoorlijn Antwerpen-Boom. Hier was het armoe troef: de esdoorns, de tamme en paardenkastanjes en de lindes waren vrijwel epifytloos. De nochtans talrijke vlieren en essen waren dan weer te jong om te kunnen dienen als draagplant. Ook op de bodem werden slechts gewoon dikkopmos en fijn laddermos gevonden, benevens een aantal kleinere populaties van kleisnavelmos. Geplooid snavelmos werd tevergeefs gezocht. Pas daar waar het bos wat meer lichtinval krijgt (naar Berchem-Station toe) en er enkele oude schietwilgen groeien, werd hierop schorsbegroeiing waargenomen. Ook in dit geval betrof het echter algemene soorten als boomsnavelmos, gewoon klauwtjesmos en een enkel exemplaar van gewone haarmuts.
Nico Wysmantel